Morgen zijn we meurig

verbodsbord-rose

“Tevreden dagen zijn nimmer groot. De beste dag heeft dorst en ademnood.”

Deze Zweedse zegswijze indachtig, had ik me ondergedompeld in een avond vol tegenstandloos geluk, vermakelijk gezelschap en een overeenstemmende hoeveelheid vloeibaars.

De terugtocht naar huis was nat en kil. De hoop op weersverbetering en een opwellende sanitaire nood, doen mij de fiets parkeren. Ik stap een café binnen. Om geen 50 cent te moeten betalen voor een consumptieloos wc-bezoek, geef ik aan dat ik dadelijk iets bestel.

Bij mijn terugkomst steek ik mijn pink op naar de barman. Die schuift mij in ruil pils toe, zij het mits het bijpassen van 1.90 euro. Dat is toch weer 50 cent bespaard en één pils gewonnen, reken ik voor. (Kwatongen menen dat dergelijke denkpatronen mijn ondergang worden, maar in zaken moet je soms de voortvarendheid omarmen.)

Het café kent een karige bezetting en straalt de ambiance uit van een infomarkt in een polyvalente zaal. Op een verhoogde tree zijn twee overschminkte dames in een aritmische choreografie verwikkeld. Elk met een Martini Royal in de hand, zwalpen ze van links naar rechts, als badmintonners op een waterbed dat aan turbulentie en onaangekondigde luchtzakken onderhevig is.

We’re flying high.

Ik neem afstand van dit onbekoorlijke tafereel en hang mijn jas over een centraal gelegen kruk, van waar ik mijn waarnemingen plan verder te zetten.

“Is dat uw pint?”
Een krullenbol met een smalle sik leunt zwaar voorover op de toog, waardoor we haast voorhoofd aan voorhoofd staan.
“Neen, da’s die van mij.”
Als een kloek breng ik mijn glas in veiligheid. De krullenbol grijpt het andere glas, legt zijn andere hand op mijn schouder en brengt zijn mond naar mijn oor.
“Gij zijt ne goeie gij.”
Hij giet het restant van zijn glas in één teug binnen en laat zijn leeggoed achter.
Ik zie hoe hij vijf stappen verder zegezeker een vrouw benadert, zijn handen op haar bekken legt en zijn kruis in cirkelvormige dansbewegingen tegen haar achterste schurkt. De vrouw bevrijdt zich katachtig snel uit de ongevraagde omhelsing.

“Excuseer, weet gij de wc’s zijn?”
Zijdelings van mij staat nu een duo dames. De vraagstelster heeft ragfijn blond haar en vochtige ogen. Haar mascara is uitgelopen. Haar stem klinkt hees.

Ik voel mij stilaan de vragenbak van het café, maar ik neem mijn maatschappelijke rol ernstig: de man die richting geeft, een messiaanse samaritaan die – ondanks het nachtelijke uur – de samenleving van antwoorden voorziet waar anderen blijven hangen in de onzekerheid van halfslachtige vraagstellingen.

“Daar. Ergens vanachter. Trappen naar beneden. Rechts of links.”

De dame met de uitgelopen mascara trekt zonder dankuwel de door mij uitgestippelde richting uit, de handtas strak onder de arm geklemd.

“Is die hier nog vrij?”
Ook deze vraag beantwoord ik positief. Daarop heist de achtergebleven helft van het damesduo zich op de kruk links van mij. Ze schudt haar blouse recht, trekt haar jurk naar een minder onbedekte hoogte en stut haar hoofd met beide armen op de toog.

“Oei, çava een beetje?”
“Auw, ik ben eigenlijk zo-ho-ho kah-pot”, giechelt ze.

De alcohol maakt dat zij praat zoals ik doorgaans zwijg: in hinderlijke hoeveelheden.
Zodoende ontstaat er een gesprek.

Ik begrijp dat ze midden de 20 is. Haar geringe appetijt om de arbeidsmarkt te betreden, parkeerde ze op de vluchtheuvel van opeenvolgende master-na-master-opleidingen met een vage titel. De examens komen eraan. Tijd om te feesten, want ze heeft er hoop en al drie.

“Zeg, betaalt gij niks? Ik ben nog altijd een arme student hé.”
“Omdat ge het zo indirect vraagt.“
“Een Hoegaarden Rosé, graag.”
“Sorry, dat koop ik echt niet.”
“Mah? Waarom niet?”
“Ge zijt nog te goed om dat vergif op te gieten. Water, pils of een echte Hoegaarden, dat wil ik betalen.”
“Doe dan maar een pintje.”

Ik steek twee vingers in de lucht naar de barman, gevolgd door de pink. Ik voel me heel wat. Ik mag dan tweemaal 1.90 euro armer zijn, ik heb kordaat grenzen gesteld aan de goorste uitwas van de vrije markt. I’m on top of things.

“Ik heb wel efkes ze, eer Sara terug van ‘t wc gaat zijn.”
“Ze zag er niet gelukkig uit.”
“‘k Weet het. Juist een klein drama.”
“Hoezo?”
“Meneer haar ex daar vond het nodig om ze voor te stellen aan de trees waarmee hij ze een maand geleden bedrogen heeft.”

Onder de luifel van het terras zie ik een fitness-type van een kleine meter tachtig. Spannend shirt, diepe V-hals en een kettinkje. Het soort heerschap dat zich te vlot toont in de omgang met mensen en haar-stijvende middelen. Een predator die in menig uitgaansbuurt slachtoffers maakt, zonder dat die laatste echter op mijn medeleven kunnen rekenen.

“Schone jongen, ze. Maar euh, fak wat een kwal!”

Ik zie hoe de schone jongen zijn sigaret uitduwt en zijn nieuwe aanwinst bij haar achterste grijpt. Samen wandelen ze de markt op.

“Argh zie ze gaan. Echt, ik zou keihard wraak nemen. Zorgen dat het op het nieuws van zeven uur komt ofzo. Dat iedereen weet in welke slet hij zijn kwak heeft gedropt.”

Ze tapt plots uit een ander taalregister. Haar aanvankelijke vermoeidheid lijkt verdwenen. Ze zit kaarsrecht op de barkruk en zet haar woorden kracht bij door de lettergrepen mee te slaan op de toog.

Ik zeg niks en overpeins de hypothese die zo-even werd gesteld.

“Wat vindt gij?”
De vraag waarvoor ik al vreesde. Ik tuit mijn lippen en zuig langszaam lucht naar binnen, ter voorwending van een complex mentaal proces.
“Goh ja. ‘t Is een orgasme, geen koude kernfusie”, tracht ik laconiek de nieuwswaarde van het gebeurde te relativeren onder het alles verblekende licht van de wereldgeschiedenis. “Die zaken halen het nieuws niet hé, tenzij er een BV bij betrokken is.“

Het komt me na 30 jaar stilaan voor dat zulke geforceerde spitsvondigheden een eerder remmende werking hebben op de gespreksontwikkeling.
Ik vul een halve minuut stilte met het herschikken van leproze biervieltjes op het toogoppervlak.

“You have to buy friendship for her”, hoor ik plots achter ons. Ik keer me om en sta oog in oog met een grijnzende man die een vijftiental rozen omhoog houdt in zijn rechterhand.
“Only two euro for you.”
Hij duwt de rozen tot tegen mijn neus.
Het heugt mij dat de vriendschap dezer dagen zo democratisch geprijsd staat. Ik bedank echter en wijs naar onze bierglazen om duidelijk te maken dat de vriendschap uit de tapkraan volstaat.

“Hoe zit dat nu feitelijk met u?”
“Wat? Heb ik iets gedaan?”
“Ja nee, hebt gij iemand?”
“Nee.”
“Hoe komt het?”
“Omstandigheden.”
“Wat moet ik daaronder verstaan?”
“Dat ik bijvoorbeeld nogal onuitstaanbaar kan zijn door nietszeggende antwoorden te geven op persoonlijke vragen.”
“Haha. Zo, ja. Ik zeg al niks meer.”
Ze simuleert het sluiten van een rits ter hoogte van haar lippen.

Ik voel nu enige druk om de “hebt gij iemand”-vraag terug te werpen, wat ik bijna reflexmatig doe, al was het maar om de aandacht te verleggen.

“Eigenlijk niet”, luidt haar antwoord.

De “eigenlijk” in haar antwoord intrigeert me. Ik doe dus waar ik zelden de drang toe voel: doorvragen.

Ze vertelt dat zij en haar vriend een maand geleden een punt achter hun tweejarige relatie hebben gezet.
“Oei, da’s nog vers.”
“Het voelt langer.”
“Hoe kwam het?”
“Ruzie. Hij wou verhuizen. Dus voila: dat kan hij nu.”
“En ziet ge elkaar nog?”
“Ja, hij woont officieel nog bij mij.”
“OK, da’s een billijke opzegperiode.”
“Wat?”
Alweer een kwinkslag die doodvalt op een spijkerbed van onbegrip.
“Laat maar.“

“Och ja, misschien moeten we het toch nog proberen.”
“Als het de moeite was, moet ge de moeite doen.”
Ze neemt mijn poging tot tegeltjeswijsheid in overweging.
“En als ‘t niet lukt, wat maakt het dan uit?”
“Weinig?”
Ik rol mijn lege glas van de ene hand naar de andere.
“Hoe laat is het eigenlijk?”
Ik haal mijn telefoon boven: 4:25
“Och fok. Ik ging zéker om 2u thuis zijn.”
“Dat gaat zéker niet meer lukken.”
“Pfff, van wat zijn we nog zeker?”
“Morgen zijn we meurig.”
Ze slaakt een schelle lach die me kop in kas doet trekken.
“Da’s zeker ja.”

Haar vrolijke aangeschotenheid contrasteert met het lijkbiddersgezicht van haar vriendin die er in gefatsoeneerde gedaante weer is komen bij staan. Ze legt een troostende hand op de schouder van de vriendin. Ik sta recht, doe mijn jas aan en spreek de woorden die het afscheid inluiden.
“Bon, salut hé.”

De regenval heeft zich inmiddels gemilderd tot licht gedruppel. Ik geniet van de aanzwellende rust die de straten op dit uur bieden. De geruststellende gedachte nestelt zich in mijn hoofd dat er ook vandaag geen catastrofes plaatsgrepen. Ik noteer echter dat enige omzichtigheid geboden blijft voor ieder van ons om niet te verzuipen in het bodemloze bad van verdriet dat we dagelijks met onverdroten koppigheid bijvullen.

Geef een reactie