Niet echt ne knappe, maar ne goeie gast

Een willekeurig van het internet geplukte vlecht.

Waarschijnlijk kijk ik over een jaar of 40 terug op het moment van die bewuste dag van mijn onbewuste leven, en denk ik kniezend bij mezelf: toen, toen had het verdekke moeten gebeuren.

Maar het gebeurde niet.

Ik had allicht moeten neerzijgen – één knie op de grond. Haar ten huwelijk vragen middels het overhandigen van een ring. Eentje met een diamant, waar het gestolde kinderslaafjesbloed nog van afbladert. Ik zou het, in mijn memoires, “romantiek” noemen.

Maar het gebeurde niet.

Waar ik twintig minuten geleden nog een bovengemiddeld mooie vrouw zag, zie ik nu een lintworm, met aan de kop een waterhoofd van aangeleerde zelfzekerheid, gevolgd door een staart van ingesleten complexen en een bobijn aan zorgvuldig ingestudeerde dwanggedachten.

Aanvankelijk was ik pertang niet het hoofdonderwerp geweest van haar aandacht. We deelden enkel een tafel in een filiaal van een koffieketen waar elementaire beleefdheid jegens de klant in het marketingplan staat ingeschreven.

De eerste gewaarwording van haar aanwezigheid bestond in een donkere vlecht die ei zo na in mijn kop koffie plonsde toen ze zich op nauwe afstand van mij neerzette op de houten bank. Met de bovenzijde van haar hand geleidde ze haar staart naar een minder hinderlijke positie. Een verontschuldigende blik van haar, een knikje van mezelf dat een vlotheid voorwendde waar ik weze niet over beschik. Daarop richtte de bovengemiddeld mooie vrouw zich tot de vrouw naast haar.

“En? Nu moet ge mij alles vertellen. Wat voor iemand is het?”
“Wah, niet echt ne knappe, maar ne goeie gast.”
“Ne goeie gast?”
“Maar ja, dat is wat ik nu nodig heb. Ik heb een beetje gehad met al de rest.”
“Dat snap ik wel. Allé, in uw geval.”

Ze maakt een zwenkende beweging met haar hoofd, waardoor de staart zich naar de zijde van haar vriendin lanceert.

“Maar had ge niet gezegd dat ge het effekes rustig aan ging doen?”
“Ja, ik weet het. Maar hij deed echt al twee weken superlief tegen mij.”
“Zo schattig.”

“Zou gij ook niet beter zo iemand zoeken?”
De bovengemiddeld mooie vrouw kirt. “Misschien wel, ja… Och nee. Ik ga voor het avontuur.”

Het gesprek meandert voort. Het vertakt langs pijnlijke tepels in goedkope bh-merken, het discutabele calorieëngehalte van smoothies en de voyeuristische geneugten van sociale media, om opnieuw uit te monden in de nieuwe vriend. Samen blijken ze immers over alle kwaliteiten te beschikken die het verdere levensgeluk zullen bespoedigen. Zij vindt hem schattig. Hij slaat haar niet en beschikt over een Audi bedrijfswagen.

Ik voel me een luistervinkende verstekeling op hun oceaanschip van achterklap.

Plots zwenkt ze de staart over de as van haar nek weer naar mijn zijde, waardoor die afkaatst op mijn rug. Ze wil zich excuseren, maar terwijl ze zich naar mij draait, tackelt ze met haar arm haar eigen beker. Ik ben alert als een hyena en kan het kapseizen voorkomen, hoewel er niettemin enkele spatten smoothievocht op mijn e-reader belanden.

“Sorryyy. Echt, ik doe echt alles fout vandaag.”

Bij een minder bovengemiddeld mooie vrouw heette dit luidop “loemp”. Maar dit is een bovengemiddeld mooie vrouw, daar kan ik mij nu wel van vergewissen. Stralende blauwe ogen, een gaaf gezicht en een aardig gewelfd lichaam dat de schepper vast vooraan in z’n portfolio heeft staan.

“Ach, goed en fout liggen in het leven dicht bij elkaar”, antwoord ik dus filosofisch, maar vooral nietszeggend.

Ze lacht te luid. “Ha, die moet ik onthouden”, schalt ze op het geluidsniveau van een scheepsmatroos die de mast houdt. Na een dertigste verontschuldiging wenkt ze zich weer tot haar vriendin.

“Wanneer stelt ge hem aan mij voor?”
“Maandag gaan we naar de IKEA. We hebben een verlengd weekend genomen. Supergezellig. Komt ge niet mee?”
“Euh nee, ik moet wel les geven hé.”
“Juist, ik vergeet dat altijd.”
“Bwa, het komt er binnenkort wel eens van in Antwerpen.”

Het rochelende geluid in de beker verraadt dat de bodem van de smoothie bereikt is. Voor de vriendin het signaal om op te stappen en de trein richting Antwerpen te halen. Het afscheid is hartelijk en gaat gepaard met een omhelzing waarbij ze wankelen van het ene been op het andere. De staart van de bovengemiddeld mooie vrouw zwiept van links naar rechts als een staanklok.

De bovengemiddeld mooie vrouw landt weer op de bank. En hoewel er door het vertrek van de vriendin weer meer ruimte is op de bank, sluit ze zo nauw bij mij aan dat ze ten tweede male mijn persoonlijke ruimte invadeert.

Nu spert ze haar handtas – die qua capaciteit kan concurreren met een spaarbekken – open op de tafel. Ze graaft en woelt doorheen een diversiteit van objecten waar een hedendaagse hypermarkt bij verschraalt. Ze zucht en grommelt geïrriteerd, maar toch gracieus, zoals enkel bovengemiddeld mooie vrouwen dat kunnen.
“Iets kwijt”, pols ik voorzichtig?
“Een balpen.”

Uit de binnenzak van mijn jas haal ik een bic.
Andermaal brengt ze een luid kirrend geluid voort. “Een man met een balpen: een life saver!”
“Wacht maar, want ik weet niet of die bic nog schrijft.”
“Dat is geen bic, maar een bal-pen”, riposteert ze in een pedante toonaard die ze afzwakt met een knipoog.

De bovengemiddeld mooie vrouw vult haar Rail Pass in.
“Wat ben je aan het lezen?” vraagt ze vanuit haar ooghoek. Ze spreekt terstond het blinkendste Algemeen Nederlands.

“Pier en Oceaan”, antwoord ik. Een roman van 800 bladzijden waarvan ik de teneur op miserable wijze voor haar samenvat. Ze kijkt weinig overtuigd op.
“Ik lees geen fictie. Ik lees alleen boeken met inhoud die ik kan gebruiken in mijn lessen. ”

De conventies van de intermenselijke conversatie vergen dat ik nu vraag welke vakken ze geeft. De bovengemiddeld mooie vrouw ligt evenwel lichtjaren voor op alle conventies en trekt een woordenspurt waarbij ik terstond de kop moet lossen. Blijkt dat zij al 5 jaar in het onderwijs staat. Derhalve bezit zij de kwaliteit om tien minuten te vullen over een willekeurig onderwerp op basis van gedateerde kennis, gelardeerd in uit damesbladen geplukte mistigheden.

Zo heeft ze niet meer nodig dan een titel in een te vondeling gelegde editie van Metro om een politieke analyse bij elkaar te ratelen waarbij de scheiding der machten al in de derde zin sneuvelt en ‘s lands bestuurlijke niveau’s wel bijzonder inwisselbaar blijken. Ik onthoud vooral dat een en ander in dit koninkrijk niet naar haar wens verloopt.

De verbazing moet in mijn gezicht gegrift staan, want ze vraagt wat er scheelt.
“Hoe weet je dat allemaal”, vraag ik, om maar iets te zeggen.
“Ik geef Aardrijkskunde en Economie. Ik weet zulke dingen.”

De bovengemiddeld mooie vrouw geeft de bic – excuseer: balpen – terug en hengelt nu naar mijn naam. Zonder waterboarden geef ik de de eerste helft prijs. Daarop stelt zij zich voor. Ook haar voornaam is bovengemiddeld mooi.

Vervolgens wil zij mijn woonplaats kennen. Ik vertel dat ik in Leuven woon, in een appartement dat ik mijn eigendom mag noemen.

Dat vindt zij interessant. Zij huurt in een andere middelgrote stad. “Opnieuw”, voegt ze er aan toe. Tot voor kort was zij namelijk eigenaar van een prachtige, zij het onbewoonbare stulp. Dat was geen beletsel, want waar een wil is, is overmoed. Dus begon zij zelf te verbouwen, met de belofte van haar broer dat hij haar zou bijstaan in de uitoefening van deze sociaal aanvaarde waanzin.

Twee maanden later vatte broerlief helaas het plan op dat hij ter verruiming van de geest een jaar moest gaan rondstruinen in een Zuid-Amerikaans land waar het moorden even courant is als het Spaans. Na twee onfortuinelijke aanvaringen met aannemers, verpandde ze het vastgoed halfafgewerkt en ten einde raad weer op Immoweb.

“Klote, zeg”, vat ik deze episode samen.
“Ach, teken dat het zo moest gaan”, houdt ze zich sterk. Ze aait zachtjes over haar staart, die voor het eerst als een gedomesticeerde slang stationair over haar schouder is komen te liggen.

De stilte valt. Haar gepolijste oogbollen slaan een doffe treurnis uit die reflecteert in het resterende kwakje smoothie in de transparante beker.

“Zullen we eens opstappen?” zegt ze plots. “Jij moet toch ook richting Leuven?
Ik teug mijn laatste restje koffie weg. Koud en niet te zuipen, maar het gebaar koopt me wel tijd.
“Ha, nee, spijtig, ik moet eerst nog naar Antwerpen.”
De sfeer smaakt naar iets tussen ongemak en teleurstelling.
“De trein naar Leuven vertrekt over vijf minuten”, geef ik aan. “Ik zou lopen.”

En lopen deed ze, de staart in een oscillerende baan achter haar aan.

Toen had het dus moeten gebeuren. Maar het gebeurde niet. Wat op zich dan weer geen slechte titel voor mijn memoires zou zijn.

Geef een reactie