Dit had allemaal voorkomen kunnen worden

stofjas

“Dit ziet er niet goed uit.”

De man in witte stofjas keek met zorgenvolle blik naar zijn computerscherm, waar een radiografie het schermoppervlak vulde.

Ik steunde op het bureau en boog voorover om met hem mee te kijken.
“Hoe bedoelt u?”

“Ziet u die vlekjes, hier en hier?” De stofjas schilderde met zijn Parker pen enkele denkbeeldige cirkels op het scherm.

“Dit vlekje hier kan nog gewoon vanzelf weggaan. Maar deze vlekken… Die worden alleen maar erger. Daar moeten we sowieso ingrijpen. En deze verkleuringen hier moeten we nauwgezet opvolgen.”

Ik keek wat bedremmeld voor mij uit. Ik was hier gekomen voor een routineonderzoek.

“Heeft u lang gerookt?”
Ik schudde van nee. “Heb ik nooit gedaan.”

De stofjas verlegde zijn gezicht in een verbaasde plooi en keek mij aan als een puber die hij net op een leugen kwam te betrappen.

“Heeft u kinderen?”
Weer schudde ik van nee.

“Goed zo!” Voor het eerst weerklonk een positieve noot in het kabinet. “Ik bedoel: we zien dit terugkomen van ouder op kind. In dat geval zou ik de kinderen extra controleren.”

“Wat moet er nu gebeuren?” vroeg ik in een poging het gesprek te pivoteren van diagnose naar remedie.

Hij fietste feestelijk op zijn elan voorbij aan mijn vraag. “Men had u moeten waarschuwen toen u 14 was, dan had dit allemaal voorkomen kunnen worden.”

“Mja. Te laat”, pareerde ik vrolijker dan ik was.

“Inderdaad, te laat”, knorde de stofjas niet gespeend van enige dramatiek.
Het beviel me wel dat de fout omgeleid werd naar de gemeenschappelijke vijand: het verleden.

Hij dribbelde met zijn Parker pen op het bureaublad. Een zucht woei uit zijn neus en liet enkele losgeweekte post-its opdwarrelen. Weer wees hij naar een vlekje op het scherm.
“Het verbaast mij dat men dit bij eerdere controles nooit heeft vastgesteld. Dit is dringend.”

“Wat moet er gebeuren”, poogde ik een tweede maal, nu met meer succes.

“Niks.”
“Niks?”
“Vandaag moet er niks gebeuren”, verduidelijkte de stofjas. “Maar ik ga u over tandenstokers vertellen.”
“Tandenstokers?”
“Ja, heeft iemand u al verteld over tandenstokers?”

Nog voor ik kon antwoorden, maakte hij het retorische karakter van zijn vraag duidelijk door mij voor een tweede keer tijdens deze visite geleide te doen naar de tandartsstoel.

Hij maneuvreerde het tuig in een convenabeler stand en richtte het spotlicht in mijn gezicht. Gedwee sperde ik mijn mond open. Hij paste zich een paar latex handschoenen. Uit een nabije schuif toverde hij een tandenstoker en viel aan.

Pijnscheuten golfden door mijn lijf terwijl de stofjas het puntige stuk hout alternerend tussen mijn tanden porde. Eerst bovenaan, dan – na omkering van de tandenstoker – onderaan. De smaak van bloed vulde mijn mond.

Ik kreeg een spiegel in handen waarmee ik het slachttafereel in detail kon overschouwen.

“Dat bloed, dat mag er normaal niet zijn”, doceerde de stofjas. “Voortaan moet u dit dagelijks doen. Na drie dagen zult u merken dat het bloeden mindert.”

Aan dit debiet van bloedverlies overleef ik geeneens drie dagen, rekende ik in stilte voor.

“Met een tandenborstel poetst u niet tussen de tanden. De belangrijkste plekken vergeet u zo – zeker als uw tanden nogal scheef staan. Vandaar dat u veel gaatjes maakt en u omzeggens geen tand meer bezit die nog niet opgevuld is.”
Hij lichtte nog een en ander toe over de nare gevolgen van dit alles voor het tandvlees.
“Als ik nu begin te boren om die gaatjes te vullen, wordt het hier een slagveld. Zo kan ik niet tevreden zijn over mijn werk.”

De stofjas zette zijn expeditie in mijn mond verder. Gewapend met een spiegeltje en een haak hengelde hij naar mijn kiezen.

“Uw tanden vallen niet uit”, stelde hij proefondervindelijk vast. “Dat betekent dat uw tandvlees zich niet terugtrekt.”
Ik knipperde met mijn ogen.
“Dat is positief”, voegde hij er aan toe om de uitslaande angst in mijn blik te doven.
“Uw kaken staan ook niet recht op elkaar. Maar daar kan u echt niet aan doen.”

Nu mijn mond definitief uitgeroepen was tot rampgebied, namen we weer plaats aan het bureau.

“U kunt er ook voor kiezen om te flossen. Dat neemt zo’n vijftien minuten per…”
Hij aarzelde en peilde de hopeloosheid van de voor hem gezeten casus.
“Tandenstokers dus.” Hij schoof me het doosje toe. “Verkrijgbaar in ’t Kruitvat.”

We maakten een afspraak voor over twee weken. Hij deed mij uitgeleide en schudde me  de hand bij het buitengaan. “Al bij al valt het nog mee. Denk gewoon aan de tandenstokers.”

Een beetje meer van ’t zelfde maar dan anders:

Geef een reactie