Enkel in de krant gaat het altijd over ggo’s

Interview in De Standaard met professor Van Montagu

Met de toekenning van de World Food Prize aan professor Marc Van Montagu – grondlegger van genetische manipulatie bij planten –  zijn ggo’s weer onder de aandacht. Zelf ben ik van oordeel dat de aandacht voor ggo’s overtrokken is. Dat ik er in de volgende paragrafen heel veel lettertekens aan ga wijden, is dus op z’n zachtst gezegd paradoxaal. Gelukkig kan ik bij het schrijven van deze tekst mijn hypocrisie verdunnen met gekoelde blauwe Chimay.

Laat mij beginnen met een diepe buiging voor professor Van Montagu. Zijn ontdekkingen vormen een gigantische bijdrage aan het menselijke weten. Het verdient meer dan één prijs, want de technologie en de kennis erachter zijn buitengewoon ontzagwekkend.

Maar hoewel ik deze wetenschap en technologie gade sla met de fascinatie van een klein jongetje, ben ik veel minder onder de indruk van de concrete toepassingen die ze inmiddels heeft opgeleverd. Daarom verbaast het mij dat ik zo vaak de vraag krijg of ik nu voor of tegen ggo’s ben, want in de praktijk is die vraag zelden relevant. Na 30 jaar onderzoek zijn er namelijk amper concrete toepassingen op de markt.

Ja, iedereen hoorde al wel van de soja die bestand is tegen Roundup Ready-pesticide en van de bt-maïs die z’n eigen pesticide aanmaakt tegen de maïsboorder. De finaliteit van deze teelten ligt voor het grootste deel in veevoer en biobrandstof. Hun bijdrage aan het oplossen van het wereldhongerprobleem is dus veeleer relatief. Maar ook op andere vlakken zie ik de spectaculaire vooruitgang niet. Door Roundup Ready-soja is het pesticideverbuik in de VS alleen maar gestegen. Dat wordt niet gecompenseerd door de vermindering van pesticidegebruik bij de bt-teelten. Ondertussen neemt de resistentie van het onkruid tegen Roundup toe (oplossing: nog meer sproeien) en komen er ieder jaar insecten bij die zich van de bt in bt-mäis weinig aantrekken. Het is zoals met antibiotica: hoe meer je ze gebruikt, hoe minder effectief ze worden.

Verrassend? Neen, het is de evolutietheorie die haar degelijkheid bewijst. En het is een les dat monoculturen niet het beste idee zijn dat de mens voortbracht. Ggo’s proberen vandaag vooral de gebreken van een landbouwmodel te verhelpen dat sowieso niet vol te houden is door het excessieve beslag dat het legt op de natuurlijke hulpbronnen. Om die reden noemt professor Louise Fresco – voor het overige zeker geen rabiate tegenstandster van ggo’s – ze in haar boek Hamburgers In Het Paradijs “domme” toepassingen van ggo’s.

Duur en complex

Dat er zo weinig toepassingen van ggo’s op de markt zijn, heeft niet zozeer te maken met het verzet ertegen. Wel met de complexiteit en dus de hoge kostprijs van de technologie. Het kost gemiddeld 12 jaar en 100 miljoen euro om een ggo-toepassing te ontwikkelen – succes niet gegarandeerd. Die ontwikkelingskost bevordert de tendens tot oligopolie, omdat weinig bedrijven de investeringskosten en de risico’s kunnen dragen die eraan verbonden zijn.

Ik hoop dat u mij hier al niet parkeert als een soort getuige van Jehova of een anti-wetenschappelijke, naïeve landbouwromanticus die met zijn waanbeelden de voedselvoorziening in gevaar brengt. Het getuigt heden ten dage blijkbaar van grote rationaliteit en veldkennis om alle heil te zien in een kostelijke technologie die geen bijster indrukwekkende adelbrieven kan voorleggen.

Laat mij duidelijk zijn: mijn vrees is niet niet dat we kankerbulten of driekoppige kinderen gaan krijgen van ggo’s te eten. Ademen langs een doorsnee Vlaamse steenweg is nefaster voor de levensverwachting. Ik sluit ook niet uit dat er – ooit, misschien, wie weet – betere ggo-toepassingen komen die echt relevant blijken voor een duurzame landbouw en die boeren niet knechten via een verstikkend patent. Wie de gang van de technologie tracht te voorspellen, maakt zich doorgaans belachelijk (en ik moet ook nog op café kunnen komen).

Ik meen gewoon dat er eenvoudiger en goedkopere manieren zijn om de landbouw en de mensen die ervan moeten leven vooruit te helpen. Ik permitteer mij een voorbeeld uit de eigen praktijk.

The easy part of the job

Als we bij Vredeseilanden met landbouwers rond een landbouwketen (koffie, rijst, groenten, bananen…) gaan samenwerken, doen we steeds een uitgebreide contextanalyse. Doel? Achterhalen wat er nodig is opdat boeren hun product voor een lonende prijs op de markt kunnen krijgen om zo hun inkomens te verhogen. De nood aan kwalitatief zaaigoed is een weerkerend element. Maar geloof mij: it’s the easy part of the job.

Een labo van Africa Rice

In september 2012 was ik in Senegal op bezoek bij rijstboeren in Anambé. Senegal voert 70% van z’n rijst in en wil die afhankelijkheid van de instabiele wereldmarkt afbouwen door de eigen rijstteelt op te krikken. Ook in Anambé was de vraag naar goed presterende rijstvariëteiten urgent. Ver moesten ze daar niet voor gaan zoeken. In Saint-Louis heeft Africa Rice – een internationaal gefinancierd onderzoekscentrum voor Afrikaanse rijst – een labo en proefvelden. Met behulp van Marker Assisted Breeding hebben ze hier de voorbije jaren zeer gericht variëteiten kunnen kruisen die geschikt zijn voor de verschillende klimatologische contexten in de regio (en dat vrij van patenten).

Onthoud trouwens die technologie, want in tegenstelling tot de ggo-kip, legt Marker Assisted Breeding eieren bij de vleet.

Lokale rijstvariëteiten

De vergeten sociale technologie

Maar ik herhaal: it’s the easy part of the job. Beschikbaarheid van zaaigoed betekent nog niet dat boeren er toegang tot hebben. Wie zorgt voor de aankoop van dat zaad? Wie zorgt voor de verdeling? Wie verstrekt krediet om de boel voor te financieren?

Dat wordt nog doorkruist door kwesties als grondbezit (geen boer investeert als hij/zij niet zeker is dat de grond de komende jaren hem of haar toebehoort), man-vrouw-relaties, de beperkte scholingsgraad van de gemiddelde boer of boerin, tekort aan kapitaal, gebrek aan infrastructuur en een mank overheidsbeleid. Om een inkomen te verdienen moeten boeren de rijst nog met winstmarge op de markt krijgen. Dat vraagt de capaciteit van een boerenorganisatie om deals te sluiten met commerçanten, maar ook kwaliteitsbewaking en goede verwerkingsinstallaties.

U ziet: de werkelijkheid is een lastig te ontwarren mikado, en dan vermeldde ik nog geen tiende van de pijnpunten. U denkt wellicht al met heimwee terug aan de tijd dat we alles nog konden reduceren tot het weinig relevante doch mediagenieke “voor of tegen ggo’s”.

Eerder dan fysieke technologie, is sociale technologie vandaag de sleutel tot vooruitgang: betere organisatievormen voor boeren om samen inputs aan te kopen, taken te verdelen, krediet te verkrijgen en oogsten te verkopen; nieuwe businessmodellen om samenwerking op langere termijn mogelijk te maken tussen boeren, verwerkers en distributeurs zodat winsten en risico’s billijker gespreid worden,…

Levert dat echt iets op? In Benin realiseerde men op vijf jaar een verdubbeling van de productie. Niet door een wondertechnologie, maar wel door betere markttoegang en beschikbaarheid van krediet.

De perfecte vermageringspil

Ik heb bij ggo-onderzoek meer dan eens de indruk dat wetenschappers de perfecte vermageringspil proberen ontwikkelen. Zolang we de patiënt maar niet moeten zeggen dat het goedkoper en gezonder is om z’n levensstijl te veranderen.

Zolang we onszelf kunnen wijsmaken dat er een technologie komt die onze problemen gaat oplossen, hoeven we ons geen moeilijke vragen te stellen over machtsconcentratie en ongelijkheid, over ons consumptiepatroon en over de ecologische onhoudbaarheid van ons landbouwmodel.

Dat zijn nochtans de kernvragen voor de toekomst. Het is ook meteen de reden waarom ggo’s in wetenschappelijke rapporten over de toekomst van onze voedselvoorziening hoogstens in de marge vermeld worden.

Of het nu de International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAASTD) is, of het recentste IFAD-rapport… Ze focussen allemaal op de de ruimere paradigmaverandering die nodig is om een wereld met 9 miljard mensen te voeden zonder de ecologische draagkracht van de planeet te overschrijden en tegelijk ontwikkelingskansen te creëren voor de miljoenen boerenfamilies die in abjecte armoede leven.

Beter en goedkoper

Technologie is daarbij van groot belang. Maar in diezelfde rapporten zul je vooral voorbeelden vinden van succesvolle technologieën als integrated pest management, push-pull pest management, agroforestry, System of Rice Intensification (de recordhouder in rijstproductie), intercropping, enz. Technologieën die overal toepasbaar zijn en voortdurend evolueren door samenspel tussen boeren en wetenschappers.

De resultaten zijn zonder meer indrukwekkend, zeker als je ze in verhouding tot de kostprijs stelt. Niet enkel op vlak van opbrengstvermeerdering (gemiddeld +79%) en verbetering van bodemvruchtbaarheid munten ze uit. Ze maken landbouwbedrijven ook schokbestendiger omdat ze doorgaans meerdere inkomstenstromen genereren en de afhankelijkheid van externe inputs verminderen (71% vermindering van pesticide, als die al gebruikt worden).

Toch is het met dat trackrecord krabben om onderzoeksfondsen bij elkaar te krijgen. De “research gap” met ggo-onderzoek is groot omdat ggo-onderzoek makkelijker te commercialiseren producten voortbrengt, in tegenstelling tot onderzoek dat vooral kennis en praktijken oplevert die iedereen kan gebruiken.

Nu, wie weet komen er ooit ggo-toepassingen die binnen dit kader nuttig blijken. Maar zeker als we publieke middelen investeren, moeten we de return voor de landbouwer én de samenleving voor ogen houden. Ik ben dus niet godsdienstig voor of tegen ggo’s, ik ben vooral voor beter en goedkoper. En als we dan kijken naar Marker Assisted Breeding of agro-ecologische technologieën, dan leert de praktijk dat die ons vandaag al veel meer opleveren dan ggo’s.

Enkel in de krant gaat het altijd over ggo’s.

2 gedachten over “Enkel in de krant gaat het altijd over ggo’s”

  1. Interessant artikel; ik vind alleen dat de auteur wat snel over het gevaar voor besmetting gaat. In Mexico bvb. zijn er (al sinds lang) berichten over dorpen die, ongewild en grotendeels onbewust, maïs eten die genetisch gemanipuleerd is voor lijmproductie of medicamenten en niet voor voedingswaarde. Wegens besmetting door “test”-velden. Dus zeggen dat de aandacht overtrokken is, vind ik een beetje light. De positieve aandacht wel (“mirakeloplossing voor hongersnood” enz.), de “negatieve” aandacht kan niet groot genoeg zijn, vind ik toch. Voor de rest heel informatief en interessant.

  2. Knap en ontwapenend artikel. Waarvoor dank! De aandacht voor ggo’s is echter niet overtrokken. Er vindt in Brussel en Washington bijna dagelijks een sterke lobby plaats door de grote multinationals, waar de burger geen weet van heeft. Deze bedrijven mijden ook het publieke debat, behalve als zij het een heel enkele keer erg benauwd krijgen misschien. Steeds meer agrarische ‘journalisten’ verenigd in de IFAJ praten naar mijn indruk met de mond van deze bedrijven. Een onafhankelijke en deskundige journalistiek is van onmetelijk grote maatschappelijke waarde.

Geef een reactie