Luister, met vrouwen is het eigenlijk simpel.

Het was eerder vroeg op een regenachtige decemberavond in Brussel. Ik maak er geen vast gebruik van om dan reeds een staminee te betreden, maar mijn gevoel leidde me naar binnen. En ik ben er de man niet naar om gevoelens te ontkennen.

Het café straalde de potentie uit om me te doen vergeten dat mensen roekeloze kinderen zijn die elkaar en zichzelf veel teleurstelling en pijn bezorgen omdat ze gevangen zitten in een eeuwigdurende komedie, die in het algemeen slecht afloopt (1). Ik nam waar: overvloedige bruine lambrisering; achter de toog een man met een vertrouwenwekkende pens; voor de toog veelal heren met weinig overpeinsde gezichtsbegroeiing, die op zwaarwichtige wijze evidenties declameren aan een zeldzame vrouw die haar verveling verdrinkt.

Aan mijn linkerkant zit een oude man. Hij leest zijn krant en laat daarbij een bierviltje als liniaal over de regels schuiven. Eerder bestelde hij een koffie. Met chirurgische precisie had hij zijn suikerklontje in tweeën gekliefd middels een tik van de rug van de lepel. Eén helft dropte hij in in zijn koffie. Tussen twee artikels door, brengt hij de kop naar zijn mond. Een crescendo van geklingel steekt daarbij op wanneer kop en soutalloor elkaar schurken ten gevolge van de trilling van zijn handen.

Aan de overkant zitten een man en vrouw. Mooie mensen, hip gekleed. Vijf boodschappentassen omringen hun tafeltje. Gedurende een halfuur spreken ze hooguit 15 woorden. Ze wisselen meer doffe blikken met hun smartphone dan met elkaar. Mogelijks een geval van SSDA, schat ik: Samen Saaier Dan Alleen.

Aan mijn rechterkant zitten twee vrouwen. Vriendin 1 is net 28 geworden, hetgeen de aanleiding vormt voor het treffen. Het is echter vriendin 2 die het rijkst is in gespreksstof. De manier waarop ze over haar “vorige relatie”, haar “relatie vóór haar vorige relatie” en haar “huidige relatie” spreekt , doet vermoeden dat de “volgende relatie” en de “relatie na haar volgende relatie” zich kortelings zullen aandienen.
Na een monoloog van een viertal minuten, richt ze het woord tot haar vriendin.

Illustratie: Willem Pirquin

“En gij en Simon? Is dat nu al iets?”
“Nee, zenne.”
“Eeeecht? Niks? Zoals in: niks niks?”
“Pfff, nee. Ik heb hem eigenlijk keihard in de friend zone gezet.”
“Moooh. Nu al?”
“Maja, hoelang moet ik hem geven?”
“Ja, ik weet niet. Daar staat geen termijn op. Denk ik.”
“Och, ja. Ik denk dan toch niet dat het de man van mijn leven is.”
“Hmm. Dat suckt wel echt kweetniehoehard. Ge waart er zo verliefd op.”
“Tja, allez, ge weet natuurlijk nooit…”
“Eh eh, zo niet. Als vriendin zeg ik: droppen die handel!”

Een vrouw met (zulke) vriendinnen heeft veelal geen vijanden meer nodig om ongelukkig te worden. Terwijl het gesprek verder kabbelt, merk ik dat de man aan mijn linkerkant zuchtend het hoofd schudt. Hij maakt zijn wijsvinger nat en slaat een krantenbladzijde om. Zijn ergernis komt niet voort uit de ontij die het wereldnieuws verschaft.

“Zever hé”, klinkt het plots uit zijn mond. Zacht genoeg om discreet te zijn, luid genoeg om het gesprek tussen de twee vrouwen te onderbreken.

De twee kijken mijn richting uit.
Ik zet mezelf recht en druk mijn rug zo hard mogelijk tegen de leuning van de bank om de premature tafel-overschrijdende interactie zo min mogelijk te hinderen (en ze tegelijk zo adequaat mogelijk te registreren).

“Huh? Wat is zever?”

De man vouwt zijn krant dicht en schuift ze voor hem uit.

Illustratie: Willem Pirquin

Hij kucht in zijn trillende vuist en schraapt de keel.
“Wat ge zegt. Van die man van uw leven.”
“Wat is daarvan?”
“Die bestaat niet.”
“Euh, en waarom zou die niet bestaan?”
“Statistiek hé.”
“Sorry, wat heeft dat met statistiek te maken?”, klinkt het geërgerd.
De man kucht weer in zijn vuist.
“Der zijn meer dan 7 miljard mensen op de wereld. Een kleine helft daarvan is man. Daarvan zijn er een paar honderd miljoen in uw leeftijdscategorie. Daaronder moeten er minstens een paar honderdduizend zijn die bij u passen.”
Vriendin 1 rolt met haar ogen.
“Maar daar heb ik niks aan.”
“Just. Maar zeg dan niet dat er iets is als de man van uw leven.

“Zal ik u iets zeggen?”
Hij wacht op toestemming om te vervolgen.
“Die man of vrouw van uw leven, die maakt ge zelf. Da’s het enige dat ik nog zeker weet op mijn 84.”

Er ontstaat een even wederzijdse als eigenaardige interesse tussen de mij omringende gasten.

“Hoe maakt ge die dan?”
De man bevochtigt zijn lippen.
“Ge maakt een keuze. Dan laat ge die werken.”

De vriendinnen wachten vergeefs op een vervolg.
“Is dat bij u echt zo gegaan?”
“Ongeveer.”
“Ja, nu wil ik het wel weten!”, moeit vriendin 1 zich in het gesprek.

De man neemt een teug van zijn koffie. Weer groeit de crescendo van porselein-geklingel boven de muziek en de gesprekken uit.

“Ik heb mijn Marie leren kennen in Düsseldorf. Ik werkte daar als ingenieur voor een Amerikaanse firma. Zij was de zus van mijn collega. Als Belgen trokken we vaak samen op. Dus als zij haar broer kwam bezoeken, gingen we samen eten of samen naar de film. Enfin, in ’t begin toch. Dat heeft niet lang geduurd of het was alleen wij twee.”

Hij werpt een schalkse knipoog naar de twee, die het op een gecharmeerd giechelen zetten.

“Maar goed. Zo af en toe eens een weekend… dat werkt niet hé. Zij kon niet verhuizen, want haar moeder was ziek.
Ik zeg: Herman, gene zever. Ofwel verhuist ge terug naar België, ofwel stopt het hier. Ik heb het eerste gekozen. Dure beslissing, want ik kon hier toen nooit zoveel verdienen als ginder.
Maar goed. Samen zijn, is er in d’ eerste plaats: zijn.”

Hij vouwt bij wijze van bekrachtiging zijn krant nog eens dubbel en legt ze op de hoek van de tafel.

“Akkoord?”

Hij kijkt mij plots strak en een tikkeltje veroordelend aan.
Ik knik, maar blijkbaar niet instemmend genoeg.

Illustratie: Willem Pirquin

“Ja maar, zijt ge d’akkoord?” herhaalt hij ditmaal op kordate toon.
Ik bevestig nu mondeling (en in minder omslachtige bewoordingen) dat logistiek gemak een aantoonbare en onderschatte factor is in het welslagen van relaties, en dat zijn keuze dus zonder meer de juiste was.

“Voila”, richt hij zich nu weer tot de vriendinnen, alsof mijn haastig bijeen geharkte woorden de waarde van een vonnis hebben.
Ik ontspan, in de verkeerdelijke veronderstelling dat mijn betrokkenheid in het gesprek hiermee ten einde is.

“En hoe lang is dat geleden?”
“Dat was in ’59.”

“En dan? Getrouwd?”
“Ja. Enfin, een klein jaar later. Dan kwam onze Laurent. Dan ons Mira. Dan ons Lutje, maar die heeft maar een paar weken geleefd.”

Er valt een stilte. Ik trommel met mijn hand Smoke on the Water mee.

“Pas op, ik maak mij geen illusies”, hervat de man. “In dezen tijd waren we waarschijnlijk allang uiteen.”

De sfeer dondert nog een verdiep of 10 dieper naar beneden.

“Waarom?”
“Och ja. Kleine dingen. Grote dingen. De dingen waarvoor ge ze graag ziet, ergeren u plots. Ons Marie, da’s chaos. Die legt nooit twee keer iets op dezelfde plaats. Ik word daar zot van. Maar ook miserie hé. Mijn broer stierf dan in een accident. Ge verwerkt zaken op een andere manier. Ge raakt elkaar kwijt.”

“En hoe is het dan goedgekomen?” vraagt vriendin 1 die nu in volle aandacht haar hoofd op haar arm laat rusten.

“Tja, uw best doen, zeker? Doordoen. Soms heel hard uw best doen. Ik heb dikwijls op mijn tong moeten bijten. Ge ziet het nog, denk ik.”
Hij steekt zijn tong uit en wijst naar een denkbeeldig litteken.

Zijn mimiek ontlokt ongemakkelijk gegniffel aan de tafel rechts van mij.

“Nee,”, vervolgt hij, “eigenlijk zit het in simpele dingen.”

“Zoals?”
De man wijst naar de kop op zijn tafel.
“Koffie?”
“’s Morgens, ja. Op bed. Elken dag als het enigszins kan. Bon, sinds mijn bloeding moet het in bekers met een deksel. Ik tril te veel. Dat zou anders nogal brandwonden geven.”

“Da’s eigenlijk wel superlief,” merkt vriendin 2 correct op.

“En als er iets scheef zit, kan het dan gezegd worden. Da’s onze afspraak. Dus als zij vindt dat ik iets achterhoud, kan ze ’t er dan uitpeuteren. En als ze door den dag op mijn kap zit, zeg ik: Marie, houdt dat voor morgenochtend.”

Zijn schrapende kuchlach maant de omgeving aan tot meelachen.

De vriendinnen moeten plots vertrekken om hun concert te halen. Het afscheid verloopt met kussen, hetgeen zeer naar de zin is van de 84-jarige. Ook ik stel me niet weerspannig op. We kijken hoe ze buiten lopen, waarna onze blikken elkaar weer kruisen.

Hij stoot zijn elleboog in de lucht mijn richting uit. Weer die knipoog.
“Zal ik u het geheim verklappen?”
Samenzweerderig hellen we naar elkaar toe. Hij legt zijn hand op mijn bovenarm die zich tot een houdgreep versterkt.

“Luister, met vrouwen is het eigenlijk simpel.”
Ik ben een en al oor.

“Ge moet praten op ’t juiste moment.”
Zover was ik.
“En zwijgen op ’t juiste moment.”
Ik knik.
“Maar dus niet omgekeerd.”
Ik kijk hem zwijgend aan terwijl ik de woorden laat binnenkomen.

“Snapt ge dat?”
Ik schud van nee.
“Ik ook niet… Maar zij dus blijkbaar wel.”

Hij barst weer uit in iets tussen hoesten en lachen.

In een schaarse vlaag van initiatiefname laat ik twee 33’ers overkomen van de toog. We zien nog hoe Real Madrid gelijk speelt met een spel dat van verwende middelmatigheid doordrongen is.

(1) Vrij naar Amos Oz – Een verhaal van liefde en duisternis

De illustraties bij deze meemaking werden ontwikkeld door Willem Pirquin. Hij doet dat ook – en nog veel beter – op professionele basis voor een acceptabele hoeveelheid centen. 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.