2010 in boeken

In 2010 zou ik dus weer gaan lezen. Daarmee bedoelde ik: fictie. Want professioneel en uit loutere interesse verwerk ik dagelijks vadse hoeveelheden geschreven informatie, waarvan het nutsniveau naderhand veelal betwistbaar is.

Romans daarentegen, behoorden de voorbije jaren slechts in homeopathische mate tot mijn leesdieet. Terwijl ik eigenlijk altijd veel plezier beleef aan een goedgeschreven verhaal, hoe anorectisch de plot ook.

Probleem is dat goede dingen dun gezaaid zijn. Om dus zeker niet met een ontgoocheling te beginnen, ben ik gelijk het verzameld werk van Willem Elsschot gaan ontlenen. Lijmen/Het Been beet de spits af, omdat er nog een goede herinnering aan kleefde uit de middelbare school (ja, dat kan). In een beweging heb ik de rest van het verzameld werk verorberd. Outstanding. Zelfs van zijn poëzie hou ik.

Maar genoeg daarvan, want Elsschot bewierroken was iets van 2010.

Op goed geluk en op basis van een aanwijzig links en rechts ben ik verder blijven lezen. Ziehier een overzicht met een willekeurig geplaatste toelichtende noot.

  • Hugo Claus – Belladona; De Geruchten; De Zwaardvis
  • Shalom Auslander – Klaaglied van een voorhuid (Een Helaasheid der dingen van een Joodse auteur die terugblikt op zijn orthodoxe nest.)
  • Carl-Johan Vallgren – De dwerg in het bordeel
  • Tom Lanoye – Alles moet weg
  • Tom Lanoye – Sprakeloos (In het begin naar mijn mening iets te veel autobiografisch getik, maar per vorderend hoofstuk aangrijpender.)
  • Robert Vuijsje – Alleen maar nette mensen
  • Bart Koubaa – De Leraar (De levensstroom van een vermolmde leraar die afrekent met het onderwijssysteem, zijn collega’s en leerlingen. Naar het einde toe ontspoort het volledig.)
  • Dimitri Verhulst – Problemski Hotel

De categorie non-fictie bleef beperkt tot deze drie:

Bernard Lietaer – Het geld van de toekomst
Ontiegelijk prikkelend werk van een Belgische econoom die bekender is in het buitenland. Een boek van 2001 dat een aantal zaken die nu aan het gebeuren zijn treffend beschrijft.

De clou: klassieke nationale munten zijn goed voor de economie waar concurrentie de norm is.
Complementaire munteenheden kunnen ontwikkeld worden voor de “coöperatieve economie” om doelstellingen te bereiken die met gewoon geld niet bereikt worden: om lokale economieën te boosten, om sociale doelstelling zoals kwalitatieve bejaardenzorg te bereiken, om onderlinge relaties te versterken. Bovendien zijn complementaire munten een buffer tegen muntcrisissen.
Als ik mensen voorspellingen hoor maken over Facebook credits… Wel, dat is gewoon een magere toepassing hiervan.

Beste van al? U kunt het boek legaal in PDF downloaden omdat het niet meer bijgedrukt wordt. De site van Lietaer bevat ook een paar mooie voorbeelden van de kracht van complementaire munten, bijvoorbeeld voor KMO’s om af te rekenen met cashflowproblemen door laatbetalende klanten (TEDx-filmpje hier).
De mens zit trouwens ook op twitter.

Amartya Sen – Vrijheid is vooruitgang (Development as freedom)
Eveneens een econoom die verder denkt dat dan de stand van de beurs en losgeslagen gehinnik op de financiële markten.

Samengevat: Ontwikkeling bestaat in de opheffing van diverse soorten onvrijheden die mensen weinig keus laten en weinig kans bieden om hun rationele handelingsbekwaamheid (smullen, zo’n termen!) uit te oefenen. Dat maakt vrijheid het belangrijkste doel van ontwikkeling.

De rest, daar moet u zelf maar achter komen. Moesten meer mensen dat werk lezen, er zouden voorwaar minder stommiteiten uitgekraamd worden over economie, honger, ontwikkelingssamenwerking en aanverwante thema’s.

John Rawls – Een theorie van rechtvaardigheid (A Theory of Justice)
Een boek dat achtentwintig verdiepen boven mijn niveau ligt, maar zelfs hier heb ik de essentie hopelijk wel mee: rechtvaardigheid als redelijkheid (fairness). Rawls start zijn theorie voor een rechtvaardige maatschappij bij een eenvoudig gedachtenexperiment: zet uzelf achter een “veil of ignorance” (sluier van onwetendheid). Achter die sluier zijn we onwetend over de positie die we in de toekomstige maatschappij gaan bekleden. We hebben geen idee of we in een rijk of arm milieu geboren worden. Of we begiftigd zijn met een allesvattend verstand of net archiedom zijn. Of we kerngezond dan wel gehandicapt zijn. Mooi of lelijk, enzoverder en enzovoort.

En dan komt het: hoe zouden we de maatschappij inrichten als we dus geen besef hebben van waar we terecht komen? Aha!

Waarmee ik nu alweer het langst lig te razen over het non-fictie-departement en dat was dus niet de bedoeling. Sterker dan mezelf.

Daarbij, merk ik nu, zijn het allemaal werken van mannen. Tot daar mijn gendergevoeligheid. Tips om het goed te maken zijn welkom.

Geef een reactie