De Ware en de Arm

Er komt een moment dat een man zijn ware gevoelens moet tonen. Dat hij die gyproc-façade van zelfzekerheid dynamiteert door het ontsteken van de lont aan die ene vraag die – bij onadequaat woordgebruik – in zijn gezicht kan ontploffen en zodoende zijn verdere kansen tot toenadering hypothekeert.

Daarom naderde ik haar – volgens de badge in haar handtas een Caroline eerste klas – met de omzichtigheid van een kat die een merel in het blikveld heeft. Zij vermoedde niks. Dat maakte ik thans op uit de manier waarop zij nog net een te groot stuk chips in één tijd haar mondgat binnen stouwde. Geen zicht.

Toen zij de schel chips met het kraken van een ijsberg verwerkt had, zette ik de stap.

“Excuseer voor ’t storen, mevrouw”. Daar kon al niks mis mee zijn.
“Ik had er mij gaarne van vergewist dat deze trein naar Gent rijdt.”

Dat zei ik natuurlijk niet echt zo, maar niemand is gebaat bij mijn ongefilterde Brabants gekwek in de dagelijkse omgang. Feit is: ik had de vraag gesteld.
“Euh nee, naar Oostende”
“Maar hij stopt in Gent?”
“Ah jaja, natuurlijk.”

Een geruststelling, na tweehonderd meter spurt met aankomst op een overbevolkte roltrap.

Ik liet mij neerploffen in de stoel tegenover haar en ontdeed mij van handschoenen, muts en sjaal. Niet gehinderd door subtitliteit, scanden haar ogen mijn neergezeten lichaam af. Ik deed dus maar hetzelfde: een staart vanachter, een frou vanvoor, een alles versluierende winterjas, een spannende jeans, een stel gezonde benen.

“Zij gij toevallig familie van den Harry?” (spreekt uit: [denarrie])
Ik voelde dat het haar plezieren zou moest ik dat kordaat bevestigen, maar de waarheid fournikeren grieft mij vooralsnog meer dan meisjes met blauwe ogen en enkellaarsjes teleurstellen.

Ik grimaste dus van nee, doch wij spraken een andere lichaamstaal. Met een tot vraag-geïntoneerde “nee” viste zij naar een klankrijker antwoord op haar vraag.

“Nee, een Harry (spreekt uit: [nenarrie]) hebben we niet in de familie.”

Waar het haar enerzijds verbaasde – “ge hebt er echt de trekken van” – kwam het haar anderzijds misschien toch als een geruststelling.

Wie Harry dan wel was?
“Die gast heeft mijn leven gered. Drie jaar geleden. Auto overkop, tegenligger in de flank. Serieus, zonder hem was ik daar doodgebloed.”

Zo dus. Maar ondertussen is het al even geleden dat we van Harry nog iets vernamen. ’t Zat zo.

Harry is de ex van haar zus. Nu ja, “de ex” is in feite teveel gezegd. Niet haar vorige ex, maar haar vorige, vorige ex. Ja, die gaat ze nogal af hé. Allé, ze ziet ze wel allemaal graag. ’t Is niet dat er geen echte gevoelens zijn ofzo, maar ’t zou toch allemaal wat serieuzer en minder korte termijnig mogen zijn. En ze zou de meest fatsoenlijke exemplaren niet altijd in kortgeding moeten seponeren.

Het koste haar behoorlijk wat woordenschat om te camoufleren dat ze haar zus in feite maar een turbomodel onder de slettenbakken vond. Maar dat zeg je dus niet met zoveel woorden over je familie tegen Jan en alleman. En ik begrijp dat. Zoals ik zoveel begrijp, want absorbeer de Goed Gevoel en de Flair als een geile dompelpomp – dat had u eerder al mogen lezen.

Zij was zo dus niet. Nee, zij zoekt meer stabiliteit. Zij zoekt de Ware – al wilde ze dat zo niet gezegd hebben. En ik mocht daar beslist niet cynisch over doen, bezwoer ze nog met geacteerde dreiging in haar stem. Daar ging mijn tekst voor het komende kwartier.

Wij verdiepten ons dan maar in de thematieken die de front van haar plaatjesrijke glansblad aanreikte.
– Hebt ge ’t gehoord? ’t Is nogal iet.
– Die? Kanker? Ook al?
– Jaja, ’t Gaat ne gang tegenwoordig.
– ’t Gaat ne gang.
– Ge moogt gerust zijn.
– Pas op, ’t kan morgen aan u ook zijn hé.
– Zwijgt stil.

En stil zwegen wij.

We spoorden voorbij het Noordstation en keken neer op dat deel van de hoofdstad waar de onbetaalde liefde allang bankroet is gegaan en onder curatele staat van pooiers en vale neonverlichting.

“Graaf hé.”

Gedachteloos tuurden we het tunnellicht van Brussel-Centraal tegemoet.
Daar reeg zij zich op. Nu pas viel het mij op dat ze van een armprothese voorzien was. Met een kwartdraai schakelde ze het tuig in een habielere positie. Vervolgens schoof ze een handschoen over de synthetische vingers.

Ze merkte mijn verwondering op, maar was zo vriendelijk mij niet kopje onder te duwen in mijn gène.

“Toch oppassen als de Ware om je hand komt vragen dat hij niet met je arm gaat lopen”, gekscheerde ik mijn ongemak weg. (Eerlijk waar, in de context klonk het allemaal minder raar, maar het blijft geen opmerking om te maken. Terwijl ik natuurlijk echt wilde weten: kun je met die kunstvezelen vingers een touchscreen van pakweg een iPhone aansturen?)

Zij bleef onverstoord en schudde meewarig het hoofd. “Die Ware moet niet mijn hand vragen, maar mijn hart veroveren. Bedankt voor de babbel hé.”

Ja, zij was als Chaudfontaine: een mooie fles, maar zo doorzichtig als wat. En ik moest nog een half uur in reizende eenzaamheid doorbrengen. Zonder Paris Match.

Geef een reactie