Ik ben dus terug van Benin. De reis was geweldig en interessant. In De Morgen van vorig weekend stond er al een eerste voortvloeisel. Verschoning dat ikzelf niet meteen overga tot het delen van mijn indrukken. Dat moet bij mij eerst even verteren vooraleer ik iets coherents kan voortbrengen.
Veel verteerbaarder indrukken troffen wij zaterdag aan op Laundry Day. Een event waar ik allicht nooit zou verzeilen, ware het niet dat ik in mijn niet manische drang tot belangrijkdoenerij gebombardeerd ben tot resident photographer van een aanstormend dj-duo en tevens openingsact: Wonder Boys.
Daarvoor dus. En ook voor de draken natuurlijk. Indrukwekkend beesten.
Weinig groepen waar ik zo onbeschaamd fan van ben. Meebrulbare melodieën op teksten waarvan elke zin een toepassing in de onelinerkunde kent. En live altijd goed. Dat in combine met frisse pils en een schare alte kameraden was rede genoeg voor een visitatie aan de heimat. Leve de zomer.
Temidden van de hedendaagse monocultuur van non-talent, mogen wij tot onze vreugd zo nu en dan een groene scheut verwelkomen die het betasten van onze goede smaak weerd is. (Indien de tijd mij dat toelaat, verzin ik nog een pretentieuzer openingszin. Maar nu moeten we door.)
De groene scheut is in deze The bear that wasn’t, ofte Nils Verresen. Een jongman. Een jaar of 23. Trekt rond van huiskamer naar huiskamer, op zoek naar eten, een slaapplaats en een schamel publiek om – in ruil voor al het voorgaande – enkele liedjes te trakteren. Zodoende belandde hij op het Gemeenteplein16, een plek waar huiselijke gezelligheid met Jupiler en Westmalle Tripel wordt aangelengd.
Mijn overtuiging is dat men de waarde van een muzikant niet kan afluisteren van cd. De Cubases, ProTools en consoorten liggen er tegenwoordig als aangekoekte cosmetiek op. De ware kunstenaars lijken wel achter het mengpaneel te verblijven, waar ze zonder horten de zang van een schrapende betonmolen naar een koorstem morfen. Enkel op de stem van Arno lijken die nieuwerwetsigheden zich te verstuiken.
Dat alles in feite om maar te zeggen dat ik foto’s heb genomen. Wie mijn stationaire carrière volgt, weet dat dat lang geleden was. Ikzelf noem het een “artistieke rustpauze” wanneer mij daar naar gevraagd wordt (geloof het of niet: dat gebeurt). Het is maar een van die manieren waarop ik mijn gebrek aan ambitie en initiatiefzin in de wintertijd tot een gewichtige levenskeuze verhef.