Met minder

Dat we blij mogen zijn. Godverdomme blij. Blij als onze generatie weldra nog over een half vel wc-papier per beurt kan beschikken om te verfrotten tussen onze bilspleet. Want ja, wij gaan het met minder moeten doen en we gaan er nog harder voor mogen werken ook. Welkom, heerlijke toekomst!

Bon.

Ik vind dat allemaal, in mijn geveinsde kinderlijke naïviteit, op zijn minst opmerkelijk. Ons BBP is nog nooit zo groot geweest. Nooit creëerden we zoveel van alles. En toch weerklinkt net vandaag de existentiële vraag of we ons de basics van een beschaving wel kunnen veroorloven: onderwijs, gezondheidszorg, een pensioen – voor iedereen. Goeie God, waar doen we het dan allemaal voor?

Heel het economische debat en het gekreet over ons bedreigde welvaart, toont vooral hoe we vervreemd geraakt zijn van de essentie van rijkdom, welvaart en hoe we dat tot stand brengen.

De vraag of we in de toekomst nog welvarend zijn, hangt niet zozeer af van de grootte van onze spaarrekeningen of pensioenfondsen, maar valt samen met de vraag of we in de toekomst nog de capaciteit hebben om rijkdom te genereren, en of genoeg mensen de kansen hebben/krijgen om die te creëren.

Die laatste zin was te lang, halfslachtig en vaag. Ik laat hem niettemin staan en zwengel even de betweterige doceermodus aan.

Rijkdom komt in drie vormen.

  • De primaire rijkdom is de planeet en alles waarin ze ons voorziet (fak, dat klinkt wolliger dan ik het bedoel): vruchtbare grond, zuivere lucht, water, grondstoffen.
  • De secundaire rijkdom bestaat uit alles wat mensen kunnen doen met die rijkdom van de planeet. Kortweg: de goederen en diensten die we ermee voortbrengen en de capaciteiten van mensen om dat te laten gebeuren.
  • Tertiaire rijkdom is het geld, de obligaties, aandelen, effecten,… In de kern is dat geen reële rijkdom. In het beste geval zijn het (toekomstige) aanspraken op secundaire of primaire rijkdom. Neem de mensen weg die iets kunnen maken, en er valt niks meer te kopen. Valt er niks meer te kopen, is het geld waardeloos. Als er geen vruchtbare grond meer is en de oceanen zijn leeggevist, houdt het hier meteen op.

Zo bekeken staan we er goed en slecht voor.

Goed, omdat deze generatie de best geschoolde ooit is. Goed, omdat we beschikken over een informatie-infrastructuur die nieuwe kennis razendsnel toegankelijk maakt. Goed, omdat we dus nooit eerder beschikten over zoveel capaciteiten om secundaire rijkdom te scheppen.

Slecht, omdat planeet aarde – de primairste der rijkdommen – in sukkelachtige conditie verkeert.

Nu mobiliseren we de grootste massa middelen ooit om een gekapseisd financieel systeem te stutten. We zijn dus vooral bekommerd om het behoud van een tertiaire rijkdom, die in weze niks waard is. Op welke primaire of secundaire rijkdom vormen de toxische Dexiakredieten nog een aanspraak? Je kan het  geen lege doos noemen, want zelfs een lege doos heeft nog een bodem.

Druk doende met het redden van banken belaadden overheden zich met schulden, waardoor ze zich vervolgens genoopt zien om te beknibbelen op essentiële taken zoals onderwijs en onderzoek. Dat leidt tot minder goed opgeleide mensen, die minder secundaire rijkdom kunnen scheppen, waardoor we finaal echt arm worden en het – inderdaad – “met minder” zullen moeten stellen.

Om de situatie te keren, kunnen we dan het rijtje afgaan.

We moeten weer onze primaire rijkdom versterken. Investeren in bossen, grondstoffenbeheer, gezonde oceanen, vruchtbare gronden (potgrond, ja, dat is de basis) en – ook dat zou echt geen slecht idee zijn – de klimaatopwarming stoppen.

Dat klinkt mooi, maar het is natuurlijk niet te verzoenen met onze huidige manier van produceren en consumeren, die een kaalslag teweeg brengt bij die primaire rijkdom.

We kunnen de primaire rijkdom dus maar versterken als we onze goederen en diensten – de secundaire rijkdom – anders gaan produceren. Dat betekent: andere productieprocessen en andere manieren van consumeren. Op productievlak worden cascade- en kringloopdenken de nieuwe norm, zodat het afval van het ene proces de grondstof is van een ander proces. Niet alleen energie moet hernieuwbaar zijn, elk product moet het zijn, tot de verpakking. Zie bijvoorbeeld de innovaties die het het ZERI-instituut ontwikkelt. Op consumptievlak rollen we van een bezitseconomie in een gebruikseconomie. Bijvoorbeeld autodelen, in plaats van ieder een auto die gemiddeld 23 van de 24 uur niet gebruikt wordt. Of Spotify, in plaats van cd’s te kopen.

Maar ook deze omslag is doodgeboren of komt in het beste geval te laat, tenzij we ingrijpen op onze tertiaire rijkdom: het monetair systeem. Waarom? Ons monetair systeem centraliseert de creatie van geld bij private banken die er een positieve interest voor aanrekenen bij toekenning van een lening. We hebben het nooit anders gekend. Dat systeem heeft zijn verdiensten: het hielp bij het voltrekken van de industriële revolutie. Maar nu zien we vooral de gaten die het laat vallen. Ze staan helder beschreven in het rapport Money and Sustainability: The Missing Link:

  • Het geldsysteem versterkt de economische cycli: de zeepbellen zijn groter als het goed gaat, de recessies dieper als het slecht gaat. Banken lenen teveel tijdens hoogconjunctuur, terwijl ze tijdens recessies te weinig leningen durven verstrekken.
  • Het zet aan tot kortetermijndenken. Op het eerste zicht is een investering die 100 euro op 10 jaar opbrengt, gelijk aan een investering die 1000 euro opbrengt op 100 jaar. Dat verandert met interest. Bij een interest van 5% is 100 euro op tien jaar teruggerekend naar vandaag 61,39 euro. Een waarde van 1000 euro op 100 jaar is teruggerekend naar vandaag 7,60 euro. Waarom? Bij een gemiddelde interestvoet van 5% moet ik vandaag 7,60  euro op de bank zetten om na 100 jaar aan 1000 euro te komen. Bij een positieve interestvoet, zullen investeringsbeslissingen stelselmatig de lange termijn onderwaarderen ten voordele van de korte termijn. (Meer uitleg bij dit voorbeeld hier.)
  • Het draagt een verplichting tot economische groei mee. Een bedrijf dat investeert en 5% betaalt op een lening, moet minstens met dat percentage groeien om rendabel te zijn. We zijn al een tijdje voorbij het punt dat die groei per definitie vooruitgang brengt.
  • Het devalueert het sociaal kapitaal. Als geld schaars is, moeten mensen in competitie treden om het te verdienen. Als competitie dominant wordt op samenwerking, gaat dat ten koste van het sociaal weefsel, hetgeen ten koste gaat van het vertrouwen tussen mensen, wat dan weer slecht is voor de economie. Op persoonlijk vlak uit dit zich in een gestegen aantal psychische aandoeningen, burn-outs, zelfmoorden,…

Dergelijke tekortkomingen zijn in de huidige context geen details. Er zijn bijvoorbeeld een miljoen investeringen te bedenken die we vandaag moeten maken om ervoor te zorgen dat we de zaken hier beter achterlaten dan we ze gevonden hebben.

We zouden moeten investeren in hernieuwbare energie. Toch zijn steenkoolcentrales op kortere termijn de aantrekkelijkste optie. We zouden de ontbossing moeten stoppen en bomen aanplanten. Toch is een bos nu kappen en het hout verkopen lucratiever dan het 100 jaar laten staan en de diensten ervan over de jaren te “plukken”. Dat het niet gebeurt heeft niet alleen te maken met lakse regelgeving die toelaat dat toekomstige milieu- en gezondheidskosten afgeschoven worden naar de samenleving. De bijziendheid zit ingebakken in het geldsysteem.

In het eerder aangehaalde rapport staan een negental voorstellen en voorbeelden die als aanvulling op het geldsysteem de tekortkomingen ervan kunnen verhelpen door natuurlijk, sociaal, financieel en fysiek kapitaal in een beter evenwicht te brengen. Het zou minstens het begin van een discussie kunnen zijn, al lijkt ze niet bepaald van de grond te komen. Dat heeft ongetwijfeld met grote belangen in de financiële sector te maken, maar het is ook van niet beter te weten. Van neoliberaal tot communist: quasi niemand die buiten het bestaande monetair systeem denkt.

De meest opmerkelijke bijdrage komt nog uit de hoek van het IMF, met de paper The Chicago Plan revisited. De paper stoft een plan uit de jaren ’30 af om de geldcreatie te nationaliseren. Banken verliezen dus het privilege om uit het niks geld te scheppen, wat de vorming van bubbels minder waarschijnlijk maakt. Omdat de overheid het geld creëert, moet ze ook niet langer lenen bij banken, maar moeten de banken lenen bij de overheid. De facto zou daarmee de overheidsschuld wegsmelten. Dat zo’n schriftuur uit de hoek van het IMF komt – normaliter de belangenverdediger van het monopolie op geldcreatie van het private banksysteem – is dermate revolutionair dat het bij ons amper aandacht krijgt.

Doch dat ter zijde. Terug naar het begin. Over de welvaart op zich maak ik mij misschien nog het minst zorgen. Zolang we de geschoolde mensen hebben om de primaire rijkdom te herwaarderen en in secundaire rijkdom om te zetten op een wijze die over generaties vol te houden is. Hoe we dat doen, zal er grondig anders uitzien dan vandaag, maar de essentie blijft dezelfde.

Meer zorgen maak ik mij om onze mentale wendbaarheid om uit de bokalen te breken waar we nu rondjes in zwemmen terwijl het water opwarmt.

Uiteraard gaan we nog schokken opvangen. Dat hebben mensen altijd gedaan, van iedere generatie. En dat gaat gemakkelijker als men niet vergroeid is met tijdelijke materiële zegeningen van het heden. Het kan dus geen kwaad om ondertussen de tegeltjeswijsheid van Epikouros te huldigen: rijkdom bestaat niet uit het hebben van grote bezittingen, maar in het hebben van weinig behoeften.

En dat we het dan in de toekomst met minder moeten doen? Graag. Minder zelfmoorden, minder depressies, minder armoede, minder vervuiling, minder verspilling en – als het écht moet – een velletje wc-papier minder.

Een gedachte over “Met minder”

Geef een reactie