Kutkind met stoofvleessaus

“In elk gezin is er wel iets”, onderwees de moeder haar zoon met Noord-Nederlandse tongval. “In sommige gezinnen scheiden de ouders. Of gaat er iemand dood. In andere gezinnen is er iemand verslaafd aan drugs.”

Het gezicht van het kind versprong van de stand kinderlijke nieuwsgierigheid naar de emotionele preset ik wil huilen, maar hou mij in. “En,” vervolgde moeder, “nou zijn er ook gezinnen met een gehandicapt kind.”

De zoon klaarde weer enigszins op. Die laatste optie kwam hem misschien wel voor als de minst onwenselijke. “Veel mensen hebben verdriet vanbinnen, zonder dat je dat ziet”, wist de moeder nog. “Maar ga nu maar met je zusjes meespelen.”

Moeder plaatste haar zonnebril en richtte zich onder een uitgedachte hoek in de zonneschijn. “Ik hoef me niet elke dag te marineren in zelfbruiner en andere kunstmest uit de beautyfarm voor een tintje”, moet ze gedacht hebben.

“Ik ga de frieten halen.”
Vijf meter verder hadden ze niet in de smiezen dat men onderwerp van gesprek was. De aandacht ging tot nu onverdeeld naar het overkomen van de uitdagingen waar de rolstoelgebruiker langwijlig mee geconfronteerd wordt: kiezels. De rolstoel werd geparkeerd, de rem aangetrokken.

“Met stoofvleessaus, hé?”
“Met stoofvleessaus.”

Ik schatte ze beide een jaar of 35. Op hun rafelende t-shirts las ik respectievelijk Metallica en White Zombie. Wat er op de achterkant gedrukt stond, werd onleesbaar gemaakt door hun loshangende haren die in vettige trossen van hun schedels dropen – wellicht een tourkalender.

“Mam, Marlies laat me niet meespelen.”
“Marlies, laat Wiebe meespelen!”

De frieten gingen nog even duren. Als voorgerecht werd daarom gekozen voor twee halve-liter-blikken Jupiler. Metallica wendde zijn gezicht af tegen mogelijks opspattend schuim en trok het blik met grote omzichtigheid open.

Tussen wijs- en middenvinger schoof hij een rietje uit de zijzak van een rugzak, plantte het in het blik en hield het voor de mond van White Zombie. Die begon met dolle overgave te zuigen, als verwachtte hij er de aandrijving van zijn armen en benen mee te herwinnen. Een kleine twee minuten later weerklonk de reutelende galm van een geleegd blik. White Zombie smekte hijgende na en dankte Metallica met een knipoog.

“Mama, Marlies wil me geen krijt geven omdat ik niet mooi kan tekenen.”
“Marliesje, geef het krijt terug aan je zus. Jahaa, ook aan Wiebe.”

Inmiddels waren Metallica en White Zombie aan de hoofddis toe. Met eenzelfde motorische fijnzinnigheid, vouwde Metallica het papier open, haalde een friet door de stoofvleessaus, schudde secuur af en bracht ze naar de opengesperde mond van White Zombie. Deze handeling herhaalde zich algoritmisch tot de laatste friet. “Lekk’r.”

Metallica wende zich nu tot de eigen maaltijd. Bij iedere hap proefde hij de zaligheid van de schaarse zonnestralen die door het wolkendek zijn sproetige aangezicht streelden. Zonder schroom, krabde hij bij wijze van dessert aan zijn kruis, met een intensiteit die een venerische ziekte deed vermoeden, dan wel een gewaarwording van volmaakt geluk.

“Maar waarom mag ik het Mega Mindy-masker niet opzetten?”
“Omdat je lelijk en dik bent. Daarom.”

Zo zei Marliesje het. Niet krijsend of gillend, maar bedaard, afgemeten. Het stroomde uit dat kindsbekkie in die kabbelende klanken van vermomde meisjesachtige onschuld. Een zacht gesproken bermbom die ontplofte in het snoetje van haar zus. Zij koos voor de schielijke huilbui, waarbij de snotbellen terstond uit beide neusgaten zwollen.

In elk gezin is er wel iets. In sommige gezinnen scheiden de ouders of gaat er iemand dood. In andere gezinnen is er iemand verslaafd aan drugs. In sommige gezinnen hebben ze een gehandicapt kind.

En in heel wat gezinnen hebben ze gewoon: een kutkind.

Geef een reactie