Kei lesbisch

“IK BEN KELLY VERBIST”, meende mijn rechteroor op te vangen, terwijl een hand steun zocht op mijn schouder.

Ik keerde mijn aangezicht, zakte door de knieën, kromde rug en nek om mijn oorschelp ter hoogte van haar mondgat te brengen. U zegt?

Haar borstkas zwol van het inhaleren. Ten tweede malen sloeg ze haar stembanden met geweld aan.
“IK BEN KEI LESBISCH”, zo bevatte mijn rechteroor nu met cartesiaanse zekerheid.

Ze leunde met een triomfantelijk elan terug en wachtte grinnikend mijn reactie af. Haar hand drukte nu nog harder op mijn schouder, op zoek naar hernieuwde balans. Onder haar topje puilden twee vetvleugeltjes.

Ik zakte weer tot haar hoogte en hield mij op evenwaardig decibelniveau aan de feiten.

“IK NIET.”

De grondtoon van gedementeerde electrowijsjes verdoofstomde onze basale café-interactie, maar aan haar volgehouden gegrinnik leidde ik af dat zij mij begreep.

Ze maakte verder in ons gesprek gelukkig ook geen problemen van mijn veeleer onlesbische geaardheid. Dat ware tegenstrijdig geweest, in het licht van het halssnoer met peace-symbool dat voor een kwart in het vleselijke drijfzand van haar décolleté verzonken zat.

“Zijt gij hier nog lang?”
“Dat valt mee”
“Zijt gij uit de buurt?”
“Ja”

90db leent zich niet tot breedvoerigheid.

Onze wegen kruisten zich voor het eerst anderhalf uur eerder aan de bar. Daar belette ik haar Schweppes agrum het omvervallen ten gevolge van het keren van een onstuimige elleboog. Dat zij zich in de tussentijd niet aan dat alcoholvrije dieet had gehouden, verraadde het odeur van warme walmen die zij in mijn eustachiusbuis blies bij het praten.

Ze vervolgde.
“Hebt gij Wendy gezien?”
Wendy moet naast haar gestaan hebben bij ons treffen aan de bar. Maar nee: “Ik heb Wendy niet gezien.”
“Dju hé. Die zal nog op ‘t toilet zitten.”
Hetgeen ik kon bevestigen, noch ontkennen.

Zonder veel gevoel voor oriëntatie, keek ze alle richtingen uit. Ze bukte zich, ging op haar tippen staan en maakte een amecht sprongetje, waarbij haar tippen de grond niet losten.
“Au man, ik ben percies een beteke zattekes”, besloot ze. Ze sloeg daarbij haar hoofd in de nek en staarde een ogenblik wankel naar het plafond.

Ik wilde zeggen dat zij er voor een tipsy vrouw bovengemiddeld coherent voorkwam. Het was evenwel onzeker of zij daarmee gediend zou zijn. Ik teutte dus mijn lippen en haalde mijn schouders op, ter indicatie dat het nog wel meeviel.

“Seg,” kwam ze eindelijk ter zake, “ik had hier afgesproken met onze pa om mij te komen halen, maar ik wil nog dag zeggen aan Wendy. Kunt gij aan onze pa zeggen dat Lien direct daar is? Maar euh, niks zeggen van Wendy, want hij weet het nog niet.”

Zonder mijn antwoord af te wachten, kliefde ze door de compacte zee van dampende lijven, die elk op dertig vierkante centimeters een interpretatie stampten van Pokerface.

Ik hield de wacht en overschouwde de ruimte die zich langer dan breed voordeed, wat tot schurkende close encounters leidde bij passage.

“Komt u voor Lien?”
“Ja,” bevestigde de gezette man die in aarzelende pas het etablissement betreden had, daarbij enkele schichtige blikken in de ruimte werpende.
“Lien is direct daar”, leverde ik trouw de boodschap af.
“Ah, ’s goed.”

Ik twijfelde of ik hiermee kon beschikken, maar mijn exit-strategie in aanbouw werd vroegtijdig afgebroken.

“En hoe kent gij ons Lien?” Hij wrong zich uit zijn vest, waardoor de mouwen binnenstebuiten keerden.
“Ik ben de man die uw dochter haar Schweppes het omvervallen belette”, zou pompeus klinken. Ik schetste daarop de gebeurtenissen van de avond, met omissie van Wendy. Discretie is voor mij als stekende hoofdpijn. Ik heb er mijn deel van.

“Veel volk”, merkte pa op, om het toch over iets te hebben. “En die muziek zo luid. Worden die niet zot?”
“Och, da’s jong hé”, wierp ik hem terug, om een afslag naar het onderwerp ‘de jeugd van tegenwoordig’ bij voorbaat voorbij te snellen.

Dat lukte, waarna het gesprek zich thematisch overstrekte tot bedenkelijke studiekeuzes en de hedendaagse parkeerproblematiek in de binnenstad. En zoals Stalin in een vlaag van serendipiteit wel eens over schelpjes rapen op het strand moet gemijmerd hebben bij het handtekenen van een decreet tot generale deportatie, zo wenkte ons – in al zijn voorvallendheid – de idee van een taks op telefoneren in het openbaar.

“Neem nu de bus. Of de trein. Praten mensen daar nog met elkaar?”
“Weinig. Maar misschien is dat ook niet al…”
“Voila. En waarom praten de mensen niet met elkaar? Omdat de meeste met hun telefoon bezig zijn. Ze zouden daar…”

“Dag papa.”
“Ah ge zijt er. Hebben we alles?”
“Yesyes. Bedankt om mij te komen halen hé.”

Pa wrong zijn armen een voor een weer in de krappe mouwen van zijn kostuumvest, waardoor hij iets had van een veearts die een zwanger rund ontzet.

“En daar…” Vader richtte nu zijn autosleutel naar Wendy, die binnen ons blikveld opmerkelijk onopvallend stond te wezen. “Geraakt uw lief wel thuis?”

Geef een reactie