Het derde middelbaar betekende een grote stap in het leven van vele van mijn leeftijdsgenoten. Ontluikende puberteitskrampen, voortgestuwd door onstabiele hormonenconstellaties, leidden tot vreemdsoortige gedragingen allerhande. Dat gaat dan van het hyperventilerend consumeren van de eerste sigaret, tot het consequent willen in discussie treden over pietluttigheden, daarbij niet gehinderd door enige kennis van zaken.
Deze maniakale drang tot agitatie heeft mij nooit gelegen. Dat oeverloze, zinledige over en weer gepruttel met leerkrachten hinderde de rechtgeaarde strijd tegen het inherent slechte schoolsysteem. Zo kwam het dus dat ik ? vergeleken met voorafgaande jaren ? een eerder gematigd figuur was in het klassysteem, enkele nota?s in de agenda buiten beschouwing gelaten.
Temidden van deze setting, begon ik dus aan 3 Economie-Wiskunde. En om deze twee bestandsdelen te benadrukken, haalde ik op het eerste rapport al meteen respectievelijk een 10/20 en een 8/20 voor deze hoofdvakken. Dat laatste cijfer inspireerde de verder vriendelijke klastitularis tot volgende analyse:


